Iets anders…

Soms maak je foto’s van een dier en denk je: “wat gaat er in dat koppie om?”  Waarschijnlijk niet veel, hoor.  Het zal meestal met eten te maken hebben, of met voortplanting, maar je weet het maar nooit. Omdat je niet in de gedachten van dieren kunt kijken is het best wel leuk om daar zelf maar iets bij te verzinnen, en dan ontstaan soms verhaaltjes. Hieronder heb ik er 2 geplaatst.  Jammer genoeg zijn de originele foto’s, die als inspiratie dienden voor de verhaaltjes, verloren gegaan. Daarom bied ik nu alvast excuses aan voor de kwaliteit van de er nu bij geplaatste foto’s, ze dienen  uitsluitend ter illustratie van het verhaal. Ik ben benieuwd wat jullie ervan vinden.

Waddenmeeuw

 

Op het Texelse strand, aan de Slufterkant, kropen wat jonge meeuwen uit hun ei, klaar voor hun eerste smulpartij. Hun ouders brachten spiering en aal als ochtend-, middag- en avondmaal. Want meeuwen, zoals we allemaal weten, die willen het liefste vis eten. Nou…..eigenlijk niet allemaal, dat blijkt dus wel uit dit verhaal: de jongste, een eigenwijze jongeheer,  wilde na een tijdje geen vis meer. Hij vond dat het stonk en het zat vol met graten, maar hoe hij ook klaagde, het mocht hem niet baten. Zijn moeder zei: “je eet het, of je gaat over de knie, vis is heel gezond, zit vol omega drie.” Maar ons meeuwtje was een vreselijke zeurpiet en jengelde maar door: “ik lust het niet!” Zijn pa zei: “als jij geen vis wilt vind ik dat best, maar dan verlaat je vanmiddag nog dit nest. Je veroorzaakt onder meeuwen een schandaal, ga zelf maar op zoek naar een smakelijk maal” “Nou”,  dacht de puber,  “dat moest ik maar doen, we zitten toch midden in het toeristenseizoen. Ik ga bij de strandtenten rondhangen, dan zal ik allicht een hapje kunnen vangen.” Zo gezegd, zo gedaan en allemachtig….de strandbezoekers vonden het prachtig. Hij kreeg patat en hij kreeg bitterballen en at alles wat de mensen zoal laten vallen. Hij fladderde van friettent naar strandpaviljoen, en hoefde voor zijn eten nooit moeite te doen. Maar zo langzaamaan werd het minder lang licht, en op een dag ging bijna alle horeca dicht. De badgasten riepen: “tot volgend jaar, dan  staan we hier weer voor je klaar”.   Onze meeuw was inmiddels best wel volwassen, en zou dus eigenlijk goed op zichzelf moeten passen. Maar ja, dat had hij nooit geleerd, en opeens ging alles zó verkeerd. Want al hoeft een meeuw dan geen vliegbrevet, door al dat junkfood was hij veel te vet. En toen hij probeerde de lucht in te gaan flapperden zijn vleugels wel, maar zijn poten bleven staan! Hij kwam geen meter van de grond en dat is voor meeuwen niet gezond. Waggelend is hij toen de duinen in gegaan, en had daar die winter een karig bestaan. Hij kon door wat beukennootjes overleven, en at besjes die waren overgebleven. Zijn overgewicht begon af te nemen en daarmee verdwenen ook zijn vliegproblemen. Na die winter ging het niet vaak meer mis en at hij hoofdzakelijk rauwe vis. Maar soms, dat zat toch in zijn psyche, zag je hem naar de snackbar vliegen. Daar ging hij dan zogenaamd op visite, maar hij bleek toch vooral van patat te genieten. Laten we hem dat nu maar vergeven, we wensen hem een  smakelijk leven!

 

Een lelijk eendje..?

Aan de oevers van een moddersloot bracht een moedereend haar jongen groot. 8 pulletjes met een donsverentooi, maar eentje zei: “ik ben niet mooi, ik heb een veel te korte nek. En dan mijn kleur, die vind ik gek!” Zijn moeder zei, om hem op te beuren: “lieve schat, je moet niet zo zeuren, je oogt helemaal niet zo beroerd, ik vind je zelfs een prachtige woerd.” Maar al had ze nog zo echt gemeend, de kleine vond zichzelf een lelijke eend. Niet dat hij daarvan wakker lag, want hij beweerde iedere dag: “Ik heb wel vrede met mijn bestaan, in ’t voorjaar word ik een mooie zwaan. Alle zwanen, zo vertelde men mij,  kropen ooit eens lelijk uit het ei.”Zijn moeder dacht: “ach, malle vent, ik heb je vader goed gekend. Een schuinsmarcheerder met veel pit, een kleurrijk figuur, zeker niet wit” Maar ’t kind hoorde geen argumenten en wachtte geduldig op de lente. Uiteindelijk  werd het toen april en ons eendje vertrok, vol goede wil.  Met bonzend hard en trillende poten ging hij op zoek naar soortgenoten. Ja hoor, daar zag hij hem op de oever staan, een majestueuze grote zwaan…. Maar deze hooghartige meneer keek heel laatdunkend op hem neer. “Jij een zwaan? Je bent niet goed wijs, je bent een doodgewone drijfsijs! Luister goed naar wat ik je zeg:  je bent een eend, en ga nu weg!” Nou, je begrijpt, dat kwam hard aan,  verdrietig is hij teruggegaan. In het riet plengde het mislukte zwaantje  de dagen daarop nog menig traantje.  Tot op  hij op dag zijn buurmeisje weer zag. Vanaf de dag dat ze uit haar ei was gekropen had ze al achter hem aangelopen. Nu vertelde ze hem hoe mooi ze hem vond, van het groen op zijn kop tot de krul bij zijn kont. Ze zei: “ik zal niet langer meer zwijgen, Ik wil eieren met je krijgen” Hij heeft toen zijn zegeningen geteld, en koos letterlijk eieren voor zijn geld. Nu zwemt hij trots en blij met zijn pulletjes op een rij. En als hij soms onverhoopt tegen een zwaan aanloopt dan zegt hij tegen het grote beest: “Jij bent ooit lelijk geweest, maar ik was tot mijn grote geluk van jongs af aan een lekker stuk!”

Puh……..